ECLI:NL:GHARN:2007:BE8944
Gerechtshof Arnhem · 19-03-2007 · zaaknummer AVNRS: 11067 en 11069
Inhoudsindicatie
Bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid zijn om aan verzoekster een vergoeding in de kosten van rechtsbijstand toe te kennen neemt het hof in aanmerking dat de zaak de feitelijke instanties was gepasseerd en zich in de cassatiefase bevond, waarin mede gelet op het cassatiemiddel de feiten niet meer ter discussie stonden. Het feit dat de zaak is geëindigd in niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens verjaring van de strafvervolging is het gevolg van wetgeving waarvan de wetgever vanwege de ongewenste gevolgen zeer spoedig spijt heeft gekregen, en welke gevolgen daarom door middel van spoedwetgeving zijn geredresseerd. Gelet op de wetsgeschiedenis van de Wet van de 5 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 2006, 310) moet ook de verjaring in deze zaak tot die ongewenste gevolgen worden gerekend. In het licht van beantwoording van de in cassatie resterende rechtsvraag door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de eerste aanvullende conclusie van de Procureur-generaal zijn er daarom naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
Rechters
Advocaten
- L.W. Gormley
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
