ECLI:NL:GHARN:2007:BC3229
Gerechtshof Arnhem · 20-11-2007 · zaaknummer 2005/712
Inhoudsindicatie
Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat, kort gezegd, geen sprake was van een redelijke verdenking jegens [appellant] omdat duidelijk was dat geen sprake was van een inrichting in de zin van artikel 1.1 WM stelt het hof het volgende voorop. Een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kan optreden van politie of justitie als waarvan in deze zaak sprake is, rechtvaardigen, ook indien in verband met ten tijde van dat optreden bestaande onzekerheid ten aanzien van de reikwijdte van de betrokken strafbepaling niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen. Slechts indien bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling valt waarop de verdenking ziet, is van een redelijke verdenking geen sprake. In HR 13 oktober 2006, JOR 2007, 81, r.o. 3.5 is dit beslist voor het geval waarin een strafvervolging wordt ingesteld, maar naar het oordeel van het hof is er geen reden om aan te nemen dat dit niet tevens zou opgaan in een geval waarin niet tot strafvervolging wordt overgegaan, maar wel sprake is van het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen of daarmee voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid voor optreden van politie en justitie op één lijn te stellen maatregelen. In dit geval gaat het er dus om of politie en justitie ten tijde van het gewraakte optreden jegens [appellant] in redelijkheid niet konden betwijfelen dat de onder 3.3. bedoelde vrachtwagens geen inrichting vormden in de zin van artikel 1.1 WM. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. In artikel 1.1 lid 1 WM wordt het begrip "inrichting" gedefinieerd als "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". Anders dan [appellant] aanvoert (memorie van grieven p. 5), is niet, en zeker niet zonder meer, duidelijk dat de eis van "een zekere begrenzing" eraan in de weg staat een vrachtwagen onder omstandigheden als inrichting in de zin van de WM aan te merken. [appellant] heeft onvoldoende feiten gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat politie en justitie in redelijkheid niet konden betwijfelen dat het bewuste feitencomplex niet een overtreding van artikel 8.1 WM opleverde. Ook de omstandigheid dat uit het proces-verbaal blijkt dat (tevens) sprake was van verdenking van [de B.V.] van een ongeoorloofde uitbreiding van haar bestaande inrichting (te weten de winkel aan de [adres B]), voert niet tot de conclusie dat geen redelijke verdenking jegens [appellant] van overtreding van artikel 8.1 WM bestond. Toepassing van het hiervoor weergegeven criterium laat immers ruimte voor het naast elkaar bestaan van enerzijds een redelijke verdenking van ongeoorloofde uitbreiding van een bestaande inrichting en daarmee overtreding van de vergunningsvoorschriften voor die inrichting (artikel 18.18 WM), en anderzijds een redelijke verdenking van het oprichten of in werking hebben van een (zelfstandige) inrichting zonder daarvoor over een vergunning te beschikken (artikel 8.1 lid 1 WM).
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
