ECLI:NL:GHARN:2007:BA9404
Gerechtshof Arnhem · 19-06-2007 · zaaknummer 2004/1140
Inhoudsindicatie
Partijen zijn het erover eens dat de van 1964 daterende NEN-normen 1738 en 1739 (Nuon: tenminste, KPN: slechts) legvoorschriften voor leidingbeheerders behelzen die niet van dwingende aard zijn en toentertijd tot stand zijn gekomen met het oog op ruimtelijke ordening. Nuon kent daarnaast aan deze NEN-normen een ruimere betekenis toe in die zin dat deze (inmiddels) tevens zien op kabel- en leidingschadepreventie, waar een deugdelijke ruimtelijke ordening in dienst staat van die noodzakelijke preventie. Op zich zelf mag juist zijn dat de NEN-normen (1738 en 1739) inmiddels als een goede ingenieurspraktijk al jaren een referentiekader vormen voor de tussen leidingbeheerders in het maatschappelijk verkeer te betrachten zorgvuldigheid, en daarmee invulling geven aan de zorgplicht die deze jegens elkaar hebben te betrachten, zoals Nuon stelt. Nuon wijst te dien aanzien onder meer op de eensluidende uitlatingen van de Minister van Economische Zaken in het kader van de op 1 februari 2007 in werking getreden Wet van 6 december 2006 tot wijziging van de Telecommunicatiewet (Stbl. 2007,16), in het bijzonder ten aanzien van artikel 5.9 van die wet. [..] De Minister heeft op dit punt voorts opgemerkt dat de vraag of de aanleg van een kabel onrechtmatig is geweest (het hof begrijpt met Nuon: vóór de inwerkingtreding van artikel 5.9) moet worden ingevuld aan de hand van de vraag of bij de aanleg de nodige zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, is betracht (Eerste Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 834, C, p. 8 en 9). KPN heeft dit ook niet voldoende gemotiveerd weersproken. Niet alleen wijst KPN in haar brief van 23 september 2002 aan Nuon op bij wege van richtlijnen voorgeschreven afstanden met het doel om schade vanwege werkzaamheden aan andere kabels, alsook inductie te voorkomen (zie productie 9 bij de inleidende dagvaarding). KPN heeft daarenboven erkend ernaar te streven waar mogelijk zich aan die voorschriften te houden (zie onder 21 en 39 van de memorie van antwoord en 14 van de pleitnota in hoger beroep van haar advocaat). Daarmee is echter nog niet gegeven dat de tussen leidingbeheerders in het maatschappelijk verkeer te betrachten zorgvuldigheid meebrengt dat de in de NEN-normen voorgeschreven afstanden zonder meer moeten worden nageleefd en, indien daarvan naar de huidige rechtsopvattingen al sprake zou zijn, dat dat ook al het geval was ten tijde van de aanleg van de buizen en glasvezelkabels van KPN waarom het hier gaat. Een en ander hangt immers af van alle omstandigheden van het geval en van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de verweten gedragingen of nalatigheden en laat zich beoordelen aan de hand van een aantal in onderlinge samenhang te beschouwen factoren, als, voor zover hier van belang, de hoegrootheid van de kans op schade bij het niet naleven van de in de NEN-normen voorgeschreven afstanden, de ernst van de schade en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen maatregelen ter voorkoming van schade. Daarbij moet het gevaar voor KPN kenbaar zijn geweest. Het hof wijst nog op uitlatingen van de Minister van Economische Zaken in het kader van de totstandkoming van de hiervoor genoemde wet (op pagina 9 van dezelfde kamerstukken), inhoudende dat sterk situatiegebonden is of netten (in de zin van die wet) gevaar of hinder (zouden kunnen) veroorzaken en dat daarom vaste normen, die voor alle situaties van toepassing zijn, niet zijn te geven.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- M.W.F. Oosterhuis
- N.A. Goldberg
- W.M. Blom
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
