ECLI:NL:GHARN:2006:AX6538
Gerechtshof Arnhem · 25-04-2006 · zaaknummer 2004/167
Inhoudsindicatie
Vast staat dat de aangetroffen prostituées niet beschikten over een rechtsgeldige vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige en evenmin beschikten over een machtiging tot voorlopig verblijf. Ingevolge artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is een dergelijke machtiging tot voorlopig verblijf voorwaarde om hier te lande een verblijfsvergunning te kunnen aanvragen. Over deze voorwaarde heeft het Hof van Justitie EG zich gebogen in zijn uitspraak van 16 november 2004 in de zaak C327/02 ([..] e.a.). De overwegingen van het Hof inzake de Associatieovereenkomsten tussen de Europese Unie en respectievelijk Bulgarije, Polen en Slowakije, komen - kort weergegeven - neer op het volgende. Deze associatieverdragen roepen voor onderdanen van de betrokken 'associatielanden' een recht in het leven op toelating tot en verblijf in EU-lidstaten. Dit recht is echter niet absoluut en de uitoefening ervan kan beperkt worden door de nationale regelgeving van de lidstaten (rov. 18-19). Een stelsel van voorafgaande controle of voldaan is aan de voorwaarde voor vergunningverlening is hiermee niet in strijd, ook niet indien die voorafgaande controle hierin bestaat dat voor het verstrekken van een verblijfsvergunning het bezit van een in het land van herkomst aan te vragen machtiging tot voorlopig verblijf noodzakelijk is. Ook wanneer de nationale immigratie-autoriteiten wettelijk niet de bevoegdheid hebben een verblijfsvergunning te verstrekken zonder een dergelijke machtiging tot voorlopig verblijf, hoewel aannemelijk is dat de vreemdeling zou voldoen aan de materiële eisen voor een verblijfsvergunning, is zulks niet in strijd met de associatieverdragen (rov. 28). Daarbij is niet van belang of de vreemdeling ten tijde van de aanvraag van de verblijfsvergunning, niet beschikkende over een machtiging tot voorlopig verblijf, reeds uit anderen hoofde (bijvoorbeeld met een toeristenvisum of tijdens de zogeheten 'vrije periode') in Nederland verbleef (rov. 30 - 33). Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat onderdanen van de associatielanden die zich niet voegen naar de relevante controles van de nationale autoriteiten en niet de voorwaarden eerbiedigen waaronder hun een recht op toegang tot het grondgebied is toegekend, zich niet kunnen beroepen op de bescherming van de associatieverdragen teneinde zich aan die voorwaarden te onttrekken (rov. 34). Nu [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid het hof in te lichten over de beantwoording van de bedoelde prejudiciële vragen en zijn standpunt dienaangaande kenbaar te maken (na de akte van de gemeente strekkende tot overlegging van het arrest van het HvJ EG van 16 november 2004 en van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 februari 2005), ziet het hof geen aanleiding hem alsnog daartoe toe te laten.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
