ECLI:NL:GHARN:2003:AM0338
Gerechtshof Arnhem · 24-09-2003 · zaaknummer 02-04092
Inhoudsindicatie
Tussen partijen is in geschil of de aanslag terecht is vastgesteld. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat geen aanslag had mogen worden opgelegd, omdat de verschuldigde belasting minder bedraagt dan de in artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet vervatte aanslaggrens van ƒ 432 (€ 196). Voorts doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur stelt zich daartegenover op het standpunt dat de aanslag ingevolge het bepaalde in artikel 9.4, vierde lid, van de Wet terecht is opgelegd, omdat de verhoging van de gecombineerde heffingskorting tot een te hoog bedrag is genoten. Voorts neemt hij het standpunt in dat aan het aangifteprogramma van de belastingdienst geen in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat in dezen geen belasting zou zijn verschuldigd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
