ECLI:NL:GHARL:2023:294
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16-01-2023 · zaaknummer 21-000317-22
Inhoudsindicatie
art. 158 Sr Het hof gaat in op de definitie van “graafwerkzaamheden” als bedoelt in art. 1, lid 1, aanhef en onder c, van de WION in verband met gevoerd verweer. Het hof stelt vast dat sprake is geweest van een opeenstapeling van onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig handelen door (werknemers van) verdachte. Op grond van artikel 2 van de WION rustte op verdachte de zorgplicht om graafwerkzaamheden ter plaatse op zorgvuldige wijze te verrichten. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. Daarom acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in aanmerkelijke mate niet alleen verwijtbaar, maar ook vermijdbaar, heeft gehandeld en dat er aldus sprake is van schuld in de zin van artikel 158 Sr. Het andersluidende verweer van de raadsman wordt verworpen. Daarnaast is het hof van oordeel dat tevens sprake is van een causaal verband tussen het (niet) handelen van verdachte en het ingetreden gevolg, in die zin dat dit laatste in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend. Tevens stelt het hof vast dat op grond van de vastgestelde feiten sprake was van gemeen gevaar voor goederen en personen. Het hof acht niet bewezen dat sprake is van het tenlastegelegde medeplegen, reeds omdat beide medeverdachten bij heden eveneens gewezen arresten van het feit zijn vrijgesproken.
Advocaten
Partijen
[benadeelde]
benadeelde · onbekend
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
