ECLI:NL:GHARL:2014:9844
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16-12-2014 · zaaknummer 200.136.424-01
Inhoudsindicatie
A heeft een aannemingsovereenkomst gesloten met Bouwbedrijf Z voor de bouw van een woning. Op de overeenkomst is de Garantie- en Waarborgregeling voor Eengezinshuizen (GWR) van toepassing. Tijdens de bouw gaat Z failliet. Op dat moment heeft A de termijnen 1 tot en met 7 betaald. De termijnen 8 en 9 zijn nog niet door Z gefactureerd. De curator in het faillissement van Z heeft met Bouwbedrijf X een overeenkomst gesloten dat X het recht heeft om onderhanden werk af te maken en dat de curator mee zal werken aan contractsoverneming. A en Woningborg, de uitvoerder van de GWR, gaan niet in op het voorstel tot contractsoverneming maar sluiten rechtstreeks met X een overeenkomst voor de afbouw van de woning tegen een nader overeengekomen prijs. De som van de door A betaalde termijnen en het met X overeengekomen bedrag voor de afbouw van de woning is lager dan de oorspronkelijke aanneemsom; het verschil bedraagt ruim € 30.000,-. De curator heeft daarop de aannemingsovereenkomst tussen A en Z ontbonden en van A betaling van het hiervoor genoemde verschil gevorderd. Volgens de curator is A in verzuim met de nakoming van de aannemingsovereenkomst met Z door zonder zijn toestemming een afbouwovereenkomst met X te sluiten en zich aldus aan de aannemingsovereenkomst te onttrekken. Het hof wijst de vordering af. Naar het oordeel van het hof wordt de kern van de aannemingsovereenkomst gevormd door enerzijds de verbintenis van Z om een woning voor A te bouwen en anderzijds de verbintenis van A om naar gelang de voortgang van de bouw voor de geleverde prestaties een vergoeding te betalen. In de aannemingsovereenkomst met Z is voor A niet uitdrukkelijk de verplichting opgenomen om Z toe te laten tot het werk, dan wel haar toe te staan het werk te voltooien. In de opvatting van de curator ligt die verplichting besloten in de aard van de overeenkomst, waarbij hij de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op het oog heeft gehad. Naar Nederlands recht bestaat er echter geen afdwingbare verplichting de wederpartij in de gelegenheid te stellen zijn contractuele verplichting na te komen. Het hof is van oordeel dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet zover reikt dat daar een zodanige verplichting uit zou kunnen voortvloeien. Een dergelijke situatie lost zich op door schuldeisersverzuim aan de zijde van A. In die zin is er sprake van een zogenoemde Obliegenheit, dat wil zeggen een ‘verplichting’ waarvan de niet-nakoming geen recht op nakoming, ontbinding of schadevergoeding geeft, doch leidt tot beperking van de contractuele rechten van degene die in verzuim is.
Advocaten
- D.C. van der Kwaak-Wamelink
- M.E.T.L. Bovens
- R. van Veen
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
[geïntimeerde]
geïntimeerde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
