ECLI:NL:GHAMS:2020:476
Gerechtshof Amsterdam · 11-02-2020 · zaaknummer 200.264.930/01
Inhoudsindicatie
Tien huurders vorderen bij één dagvaarding elk afzonderlijk terugbetaling door verhuurder van een bedrag van € 302,50, welk bedrag zij uit hoofde van twee bedingen in de huurovereenkomst die zij ieder met verhuurder sloten, bij het aangaan van de overeenkomst hebben betaald. In deze bedingen is volgens huurders een onredelijk voordeel bedongen in de zin van artikel 7:264 lid 1 BW. Naast terugbetaling hebben huurders een verklaring voor recht gevorderd dat de bedingen onredelijk zijn. Kantonrechter wijst de vorderingen van huurders toe. Verhuurder wordt in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter had in eerste aanleg te oordelen over tien vorderingen die ieder voor zich onder de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv blijven. De gevorderde geldsom (€ 302,50) blijft ruim onder de appelgrens van € 1.750,00, de waarde van de daarnaast gevorderde verklaring voor recht valt samen met het beloop van de gevorderde geldsom (Hoge Raad 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7032) en voor de beoordeling van de appellabiliteit mogen de vorderingen van de verschillende eisers niet bij elkaar worden opgeteld (Hoge Raad 25 maart 1994, NJ 1994,392).
Advocaten
- C.S. Leunissen
- D.J. van der Kwaak
- H.M. Meijerink
- J.C.W. Rang
- M.A. Wabeke
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
