ECLI:NL:GHAMS:2017:408
Gerechtshof Amsterdam · 10-01-2017 · zaaknummer 16/00120
Inhoudsindicatie
Landinrichtingsrente. Het Hof leidt uit de overwegingen van het arrest BNB 2006/219 de rechtsregel af dat het voorschrift van artikel 229, vierde lid, Liw niet aan een belanghebbende kan worden tegengeworpen indien diens grieven (tegen de aanslag landinrichtingsrente) zich richten tegen latere aanpassingen aan de lijst geldelijke regelingen (LGR) waarmee hij op het tijdstip dat hij bezwaar kon maken tegen de LGR geen rekening kon houden. In het onderhavige geval is daarvan echter geen sprake, nu de grieven van belanghebbende dezelfde zijn zoals eerder naar voren gebracht in zijn bezwaar tegen de ter inzage gelegde LGR. Het Hof komt daarom in de onderhavige procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes grieven tegen de wijze waarop de rechtbank tot sluiting van de LGR is overgegaan.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
