ECLI:NL:GHAMS:2017:3808
Gerechtshof Amsterdam · 19-09-2017 · zaaknummer 200.204.954/01
Inhoudsindicatie
De vraag of de brief als een opzegging dient te worden beschouwd moet worden uitgelegd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Gelet op de bewoordingen van de brief kon en mocht werknemer deze redelijkerwijs opvatten als strekkende tot beëindiging van het tot dan toe bestaande dienstverband met werkgever. Door werkgever zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat het beroep van de werknemer op de rechtsgevolgen van de opzegging zodanig in strijd is met maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat deze gevolgen onaanvaardbaar zouden zijn. Voor de werknemer is niet een bijzondere onderzoeksplicht ontstaan naar de vraag of er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging aan de zijde van de werkgever. Uit artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW vloeit voort dat de werkgever de transitievergoeding is verschuldigd, omdat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging toewijsbaar is op grond van artikel 7:672 lid 10 BW. De wet kent hier geen anticumulatiebepaling.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
Partijen
[geïntimeerde]
geïntimeerde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
