ECLI:NL:GHAMS:2017:2074
Gerechtshof Amsterdam · 30-05-2017 · zaaknummer 200.210.382/01
Inhoudsindicatie
Kort geding. Huur woonruimte. Vordering tot ontruiming. Huurder heeft toestemming om huisbewaringsovereenkomst met appellant aan te gaan. Huurder heeft echter niet de intentie gehad om ooit naar Nederland terug te keren. Als tussen huurder en appellant al een onderhuurovereenkomst bestaat, is hoogst aannemelijk dat de bodemrechter die zal beëindigen, omdat de overeenkomst de kennelijke strekking had appellant de positie van huurder te verschaffen. Spoedeisend belang van woningbouwvereniging bij eerlijke verdeling schaarse sociale huurwoningen moet prevaleren boven woonbelang van appellant. Nu de partner van appellant zelf niet van het ontruimingsvonnis in hoger beroep is gekomen – en appellant in zijn toevoegingsaanvraag overigens ook heeft opgegeven alleenstaand en zonder kinderen te wonen – kan met de belangen van die partner en de kinderen in dit geding geen rekening worden gehouden. Wetsartikelen; 7:269 lid 1 BW
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
