ECLI:NL:GHAMS:2015:4529
Gerechtshof Amsterdam · 28-10-2015 · zaaknummer 23-000835-15
Inhoudsindicatie
De officier van justitie is bij de keuze voor een afdoeningmodaliteit in beginsel gebonden aan de toepasselijke beleidsuitgangspunten bij vervolging van de strafbare feiten, in het onderhavige geval de ‘Aanwijzing kader voor strafvordering’ (2013A018) en de ‘Richtlijn Opiumwet, softdrugs’ (2011R010). Nu de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een proeftijd van een hem eerder voorwaardelijk opgelegde straf liep, heeft de officier van justitie niet alleen een dagvaarding doen uitgaan, maar ook een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf ingediend. Voor zover de verdachte volgens genoemde beleidsuitgangspunten al een transactie had moeten worden aangeboden, kan bij genoemde stand van zaken niet worden gezegd dat de officier van justitie niet in redelijkheid kon komen tot de beslissing de verdachte te dagvaarden. Gelet op het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
