ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1003
Gerechtshof Amsterdam · 12-01-2011 · zaaknummer 23-004434-09
Inhoudsindicatie
Het hof overweegt dat de jurisprudentie van het EHRM terzake (laatstelijk bevestigd in het arrest-Krumpholz versus Oostenrijk van 18 maart 2010) de situatie betreft dat reeds ruim voldoende bewijs aanwezig is voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Het EHRM spreekt over een "prima facie case against the accused". Indien in zo'n zaak bij de rechter toch enige twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij het feit, kan het zwijgen van de verdachte een niet langer houdbare positie worden, in die zin dat de rechter dan de zaak zou kunnen beslissen als ware de verklaring van de verdachte geen factor van belang meer. Uit het arrest-John Murray volgt echter niet dat het zwijgen van de verdachte op enig moment een zelfstandig bewijsmiddel kan worden waarmee een lacune in een overigens zwakke zaak kan worden opgevuld.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
