ECLI:NL:GHAMS:2011:BP0670
Gerechtshof Amsterdam · 06-01-2011 · zaaknummer 08/01047
Inhoudsindicatie
Aftrekbaarheid concernrente. Belanghebbende levert niet het door art. 10a, derde lid, Wet Vpb 1969 vereiste tegenbewijs. Aftrekweigering niet in strijd met vestigingsvrijheid Belanghebbende (X Holding BV) was tot het najaar van 1999 tophoudster van een concern en hield (middellijk) alle aandelen van een Belgisch coördinatiecentrum, dat omvangrijke financieringsvorderingen had op alle concernonderdelen. Na een overname wilde het overnemende A-concern de onderdelen die zich bezig hielden met industriële verpakkingen verkopen. De vorderingen van het coördinatiecentrum op de concernonderdelen consumentenverpakkingen (de consumentenvorderingen) waren niet in de verkoop begrepen en dienden binnen het A-concern te blijven. Daartoe zijn – via een aantal tussenstappen – de consumentenvorderingen aan belanghebbende overgedragen, waarbij de koopsom is omgezet in een schuld van belanghebbende aan het coördinatiecentrum. Om de overdraagbaarheid van haar aandelen te vergroten, heeft belanghebbende haar vermogen verkleind door middel van een aanzienlijke dividenduitkering aan haar moedermaatschappij in de vorm van de genoemde consumentenvorderingen. Vervolgens zijn de aandelen in belanghebbende verkocht. In 2001 was belanghebbende ruim € 13 000 000 aan rente verschuldigd aan het coördinatiecentrum. In geschil is of deze rente aftrekbaar is. Niet in geschil is dat de aan het coördinatiecentrum verschuldigde rente verband houdt met de hiervoor vermelde dividenduitkering, zodat de aan het coördinatiecentrum verschuldigde rente onder de reikwijdte valt van de aftrekbeperking van art. 10a, tweede lid, van de Wet Vpb 1969. Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet slaagt in het dan door haar te leveren tegenbewijs. Dat het einddoel van de verrichte rechtshandelingen zakelijk is, is daarvoor onvoldoende; ook ter zake van het aangaan van de schuld bij het coördinatiecentrum moet het bedoelde tegenbewijs worden geleverd (dubbele zakelijkheidstoets). De standpunten van belanghebbende zijn volgens het Hof te weinig concreet en onvoldoende onderbouwd om aannemelijk te maken dat de door de inspecteur vermelde alternatieve financieringswijzen van de dividenduitkering niet mogelijk waren. Van een naar Nederlandse maatstaven redelijke belastingheffing over de rente is evenmin sprake. Het standpunt van belanghebbende dat de renteaftrekbeperking een maatregel vormt die strijdig is met de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU) wordt eveneens verworpen. Daartoe overweegt het Hof onder meer dat de renteaftrekbeperking weliswaar een maatregel is die de vrijheid van vestiging belemmert, maar dat voor deze belemmering een rechtvaardigingsgrond bestaat (misbruikbestrijding). De regeling van art. 10a, tweede lid, Wet Vpb 1969 is volgens het Hof proportioneel, omdat het daarin opgenomen wettelijke vermoeden van onzakelijkheid voor tegenbewijs vatbaar is. Met de wettelijke tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet wordt aan belastingplichtigen voldoende gelegenheid geboden om aannemelijk te maken dat een onder het tweede lid kwalificerende rentebetaling geen verband houdt met volstrekt kunstmatige constructies.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
