Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9022

Gerechtshof Amsterdam · 11-11-2010 · zaaknummer 08/01143 t/m 08/01146

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat het begrip “industriële blokken” door (medewerkers van) de inspecteur Rotterdam - in aan derden afgegeven bindende tariefinlichtingen - en de Belgische douaneadministratie anders werd uitgelegd, had de inspecteur Rotterdam ertoe kunnen brengen de van zijn standpunt afwijkende interpretatie over te nemen, en van het uitreiken van de UTB’s af te zien. De omstandigheid dat deze inspecteur daarvoor niet heeft gekozen en een, gelet op de bewoordingen van vorengenoemde bijlage, geenszins ongefundeerd standpunt heeft ingenomen, is op zichzelf beschouwd onvoldoende om het oordeel te rechtvaardigen dat de inspecteur UTB’s heeft uitgereikt terwijl op het moment van uitreiking duidelijk was dat deze in een daartegen in te stellen procedure geen stand zouden houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41235, V-N 2007/19.12; HR 6 februari 2009, nr. 08/01915, NTFR 2009/354). Tegenover de betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt zijn stelling dat het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 mei 2007, CPP2007/812M, waarin (onder meer) is vermeld dat goedgekeurd wordt dat de tariefschorsing voor de Alaskakoolvis niet alleen wordt toegepast op visfilets die zijn bevroren in de vorm van industriële blokken, maar ook op visfilets die individueel zijn ingevroren, geen nieuw beleid bevat, doch slechts een vastlegging van reeds geldend beleid. De bewoordingen van het Besluit, in het bijzonder het gebruik van de term “goedgekeurd” bieden ook geen steun voor de stelling van belanghebbende. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van beleid, waarvan door de inspecteur Rotterdam zou zijn afgeweken. De uitspraken op bezwaar betreffende de UTB’s van 26 januari 2007, 4 april 2007 en 12 oktober 2006 zijn gedaan binnen de destijds geldende beslistermijn van één jaar na de indiening van het bezwaarschrift. De uitspraak betreffende de UTB van 18 september 2006 is enige dagen na het verstrijken van die termijn gedaan. Weliswaar zijn de in het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997, respectievelijk het Besluit van de Minister van Financiën van 15 februari 2007, respectievelijk het Handboek Douane opgenomen streeftermijnen niet in acht genomen, maar die omstandigheid is op zichzelf beschouwd onvoldoende om de behandelingsduur als bijzonder lang te kwalificeren, nog daargelaten dat die vaststelling op zich nog niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (HR 21 maart 2008, nr. 43066, V-N 2008/15.6). Gelet op het vorenoverwogene is de Douanekamer van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een zo uitzonderlijk, in de parlementaire geschiedenis wel als “schrijnend” omschreven geval, dat de voor de toekenning van bovenforfaitaire bedragen aan kostenvergoeding vereiste bijzondere omstandigheden aanwezig kunnen worden geacht.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.