Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9019

Gerechtshof Amsterdam · 04-11-2010 · zaaknummer 09/00023

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De inspecteur stelt dat de in geding zijnde werkzaamheden als één dienst moeten worden aangemerkt voor de bepaling van de plaats van de prestatie. In hoger beroep voert belanghebbende primair aan dat haar prestatie moet worden aangemerkt als één dienst en dat die dienst niet in Nederland is belast, omdat de inspecteur anders het gelijkheidsbeginsel zou schenden. Het Hof stelt voorop dat hier niet aan de orde is een situatie waarin een andere belastingplichtige in een gelijk geval gunstiger is behandeld dan belanghebbende. Het geval G gaat immers belanghebbende zelf aan. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan dan geen sprake zijn. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat door de afwikkeling van de zaak G bij haar het vertrouwen is gewekt dat de inspecteur de onderhavige zaak op dezelfde wijze zou afdoen, is die stelling ongegrond. Klaarblijkelijk heeft de inspecteur de zich in de zaak G voordoende feiten en omstandigheden voor de toepassing van de plaats van de dienst anders beoordeeld dan die in het onderhavige geval. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat evenbedoelde zaak zozeer gelijk was aan de onderhavige dat zij mocht vertrouwen op een afdoening op gelijke wijze. In het beroepschrift wordt door de gemachtigden van belanghebbende onder meer geschreven dat S op zoek was naar een aandelenparticipatiemogelijkheid op de Europese markt en dat zij, gezien het ontbreken van specifieke kennis op het gebied van de Europese markt, K heeft ingeschakeld om te bezien of er interessante partijen waren waarin door S geparticipeerd kon worden. Voorts is daarin vermeld dat S besloot in de door K geselecteerde vennootschap te participeren, waarbij wordt verwezen naar de omschrijving van de werkzaamheden van belanghebbende op de aan S uitgereikte factuur. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is aldaar door K verklaard dat hij advies heeft gegeven aangaande de overname van S en dat dit advies primair bestond uit het beantwoorden van de vraag wie op diverse gebieden goed kunnen adviseren. K deelde aldaar voorts mede dat hij de partijen en de markt goed kent en dat hij die kennis heeft gedeeld. In antwoord op een vraag van de rechtbank verklaarde K dat hij de overname van S door S heeft ‘gemanaged’. In tweede termijn verklaarde K nog dat de specifieke deskundigheid van hem en belanghebbende bestond uit het hebben van netwerkcontacten en ervaring met dit soort transacties en dat hij met die achtergrondkennis actief heeft geadviseerd over de transactie en partijen bij elkaar heeft gebracht. In dit verband verklaarde K nog dat gezocht is naar geschikte kandidaten en dat het hele aankooptraject is georganiseerd. De weergave van de verklaringen van K ter zitting van de rechtbank is door belanghebbende als zodanig niet betwist. Gelet op de feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht overwogen dat het totaal van de werkzaamheden die belanghebbende, al dan niet met gebruikmaking van door derden verrichte werkzaamheden, jegens S heeft verricht causaal en functioneel zozeer met elkaar zijn verbonden dat zij dienen te worden aangemerkt als één dienst die bestaat uit het initiëren en begeleiden van een traject met het oog op de besluitvorming inzake het al dan niet verwerven van een aandelenparticipatie in S. tussen partijen is uiteindelijk nog in geschil de boete die betrekking heeft op in de naheffingsaanslag begrepen bedragen voor correctie wegens het niet boeken van een factuur en het boeken van huuropbrengsten inclusief omzetbelasting (onderdelen 3.2.5 en 3.2.6 van het verslag van het boekenonderzoek), in totaal € 24.800 aan omzetbelasting. De daarop betrekking hebbende boete beloopt, naar tussen partijen niet in geschil is, nog in totaal € 3.610. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden beslist dat het niet betalen van deze belasting te wijten is aan grove schuld van de zijde van belanghebbende. Het gaat hier niet om een verschil van inzicht omtrent de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake omzetbelasting, maar om het niet boeken van verschuldigde bedragen aan omzetbelasting, welke bedragen zowel absoluut als relatief omvangrijk zijn. Een boete van € 3.610 acht het Hof in dit geval passend en geboden. Het Hof vindt geen aanleiding de boete verder te verminderen wegens een niet-aanvaardbare vertraging in de afdoening van de zaak.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.