ECLI:NL:GHAMS:2007:BC7144
Gerechtshof Amsterdam · 11-12-2007 · zaaknummer 02/6570 DK
Inhoudsindicatie
De afhandeling van het verzoek om teruggaaf 6.1. Uit de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur geen beschikking heeft genomen inzake het door belanghebbende op de voet van artikel 236 van het CDW ingediende verzoek om terugbetaling. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat zulks achterwege is gebleven en dat onmiddellijk uitspraak op bezwaar is gedaan. In verband met de in de onderhavige zaak te nemen beslissing kan aan deze omstandigheid worden voorbijgegaan. De status van de BTI 6.2. Vaststaat dat in de op 12 juni 2001 door de bevoegde Britse douane-autoriteiten aan E afgegeven BTI wordt verwezen naar een aanvraag van E van 30 augustus 2000, dat ter zake reeds op 19 oktober 2000 een BTI was afgegeven, dat de Britse douaneautoriteiten blijkens de begeleidende brief van 12 juni 2001 bedoeld hebben deze op 19 oktober 2000 verstrekte BTI te rectificeren in verband met een gevoerde procedure, dat het referentienummer van de BTI ongewijzigd is gebleven evenals de ingangsdatum van 19 oktober 2000, en dat geen sprake is van terugwerkende kracht tot voor de datum van verstrekking van de originele BTI. 6.3. Gelet op het hiervoor onder 6.2. overwogene en in aanmerking nemend dat de Britse douaneautoriteiten kennelijk, naar de Douanekamer begrijpt naar aanleiding van een gevoerde procedure, de op 19 oktober 2000 afgegeven BTI op 12 juni 2001 hebben gerectificeerd, dat in zoverre geen sprake is van nieuwe BTI, dat het procesrecht van een lidstaat een aangelegenheid is van iedere afzonderlijke lidstaat afzonderlijk welke als zodanig geen invloed heeft op de geldigheid van een genomen besluit - in casu een BTI -, dat meer in het bijzonder dit ook niet ter beoordeling staat van een andere lidstaat en dat zulks ook niet zou passen binnen een communautair douanesysteem, is de Douanekamer van oordeel dat aan de op 12 juni 2001 gerectificeerde BTI dezelfde rechtsgevolgen toekomen als aan iedere andere willekeurige BTI. Het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI 6.4. Uit de stukken van het geding en uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, leidt de Douanekamer af dat belanghebbende de onder 2.7. vermelde aangiften op eigen naam en voor eigen rekening heeft gedaan en dat zij ter zake niet optrad als direct dan wel indirect vertegenwoordiger van E in de zin van artikel 5 van het CDW. Uit het bepaalde in artikel 12, tweede en derde lid, van het CDW jo. artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening CDW volgt voorts dat slechts door de rechthebbende op een bindende tariefinlichting een beroep mag worden gedaan zodat de inspecteur in zoverre het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI terecht heeft geweigerd. 6.5. In het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft belanghebbende aangevoerd dat vaststaat dat zij deel uitmaakt van het concern waar ook E deel van uitmaakt, dat zij gemachtigd was E te vertegenwoordigen, dat de desbetreffende goederen door belanghebbende en E in het vrije verkeer worden ingevoerd en dat niet in geschil is dat de door belanghebbende ten invoer aangegeven goederen identiek zijn aan de op de aan E verstrekte BTI vermelde goederen. 6.6. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar paragraaf 2.6.1., onderdeel 4.10.00 van het Handboek Douane deel 1. De inspecteur heeft met betrekking tot deze paragraaf ter zitting verklaard dat gelet op deze passage ook niet-rechthebbenden een beroep kunnen doen op een geldige BTI en dat meer in het bijzonder belanghebbende in beginsel een beroep kan doen op de aan E verstrekte BTI. 6.7. De inspecteur stelt echter dat een dergelijk beroep slechts mogelijk is ingeval in de BTI een juiste tariefindeling wordt gegeven en deze rechtsgeldig is verstrekt en dat dientengevolge in casu belanghebbendes beroep op de aan E verstrekte BTI faalt. Een dergelijke beperkte uitleg van de desbetreffende passage volgt naar het oordeel van de Douanekamer niet uit de tekst van evenvermelde paragraaf van het Handboek Douane, nog daargelaten dat een dergelijke beperkte uitleg mee zou brengen dat deze passage zinledig zou zijn aangezien verondersteld mag worden dat de douane altijd ernaar streeft een juiste tariefindeling te geven. 6.8. De Douanekamer is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, erop mocht vertrouwen dat de douane de goederenindeling als vermeld in de aan E verstrekte BTI zou volgen. In dit verband zij nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 april 1993, nr. C 250/91 (Hewlett Packard) Jur. EG 1993, blz. I 0189 met betrekking tot de toepassing van artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (thans artikel 239 CDW, Douanekamer) waarin is overwogen dat de omstandigheid, dat een marktdeelnemer zich heeft gebaseerd op een verkeerde tariefinlichting die aan een vennootschap van dezelfde groep als die waartoe de belastingschuldige behoort, is verstrekt door de bevoegde douaneautoriteiten van een andere lidstaat dan die waar de voor inning bevoegde douaneautoriteiten zich bevinden, een bijzondere situatie in de zin van dat artikel kan opleveren.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
