ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8011
Gerechtshof Amsterdam · 05-06-2007 · zaaknummer 04/3848 DK
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het bestreden besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding niet in stand kan blijven, omdat het recht om te worden gehoord is geschonden. Belanghebbende is bij brief van 10 augustus 2004 - overeenkomstig artikel 7:2 van de AWB - in de gelegenheid gesteld een afspraak te maken om te worden gehoord. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt omdat zij reeds bij voorbaat van mening was dat het horen voor haar geen zin zou hebben gezien de tekst van de uitnodiging tot horen (2.8. hiervoor). De Douanekamer deelt de opvatting van belanghebbende dat de desbetreffende passage in de uitnodiging tot horen gemakkelijk aanleiding kan zijn tot misverstanden, maar volgt belanghebbende niet in haar conclusies dat de inspecteur hiermee beoogd heeft niet aan zijn hoorplicht te voldoen, en dat daarom reeds de uitspraak op bezwaar zou moeten worden vernietigd. Deze passage had belanghebbende, die zich in de bezwaarprocedure had voorzien van bijstand, niet behoeven te weerhouden ter hoorzitting te verschijnen en dan haar argumenten nogmaals nader toe te lichten. In hetgeen belanghebbende op dit punt heeft aangevoerd ziet de Douanekamer dan ook geen reden om de uitspraak te vernietigen en de zaak ter verdere behandeling terug te verwijzen naar de inspecteur. Van een rechtens ontoelaatbare verslechtering van de positie van belanghebbende als indiener van een verzoek om terugbetaling, is naar het oordeel van de Douanekamer geen sprake. Immers, ook zonder verzoek om terugbetaling – dat in casu kennelijk tot nadere bestudering van de juistheid van de douaneschuld leidde – zou de inspecteur bevoegd – en zelfs verplicht - zijn op grond van artikel 220, eerste lid, van het CDW tot boeking achteraf over te gaan, waarvoor hem nà 9 maart 2004, gelet op artikel 221, derde lid, van het CDW, nog ruim twee jaar ter beschikking zouden hebben gestaan. Het in te delen goed bestaat uit een onderstel van metaal en een bovenblad van steen. Uit de combinatie van beide materialen wordt een tuintafel verkregen. Naar het oordeel van de Douanekamer kan van een dergelijk samenstel niet gezegd worden welke van beide materialen het wezenlijk karakter van het product bepaalt, omdat noch de voor de samenstelling gebezigde stoffen noch de bestemming daarvoor een indicatie opleveren: het onderstel en het blad vullen elkaar aan en zijn voor het goed functioneren van de tafel gelijkwaardige componenten. Derhalve dient de indeling van de onderhavige tafels te geschieden met toepassing van indelingsregel 3c, te weten naar de post die in volgorde van nummering het laatst in het tarief is geplaatst. Als gevolg hiervan dient het goed, gelet op de in aanmerking komende posten, onder post 9504 80 00 van het GDT te worden gerangschikt. Het beroep van belanghebbende op de sub 2.13 en 2.14 vermelde BTI’s verwerpt de Douanekamer. Deze BTI’s zien op een ander product met andere kenmerken, nog daargelaten dat belanghebbende daarvan niet de rechthebbende is.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
