ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4852
Gerechtshof Amsterdam · 10-04-2007 · zaaknummer 06/1252
Inhoudsindicatie
Ongeacht de precieze grondslag van appellantes vorderingen – en de daaruit voortvloeiende toepasselijke verjaringstermijn – moet worden aangenomen dat met dit tijdsverloop iedere (mogelijk toepasselijke) verjaringstermijn is verstreken. De stelling dat de verjaring op een eerder moment is gestuit, faalt reeds omdat zij geen onderbouwing heeft gekregen door verwijzing naar specifieke stukken waarin een verklaring voorkomt die voldoet aan de in art 3:317 BW gestelde vereisten. In dat verband wijst het hof erop dat het overgrote deel van de correspondentie waar appellante in deze context (zonder nadere precisering) naar heeft verwezen, niet gericht is aan de Aartsbisschop. Voor zover op enig moment wel door of namens appellante gecorrespondeerd is met de Aartsbisschop, kan uit de inhoud van die correspondentie slechts worden afgeleid dat hem gevraagd is tussen betrokkenen te bemiddelen. Voorshands is dus niet aannemelijk geworden dat de verjaring is gestuit. Voor de bepaling van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn is niet relevant de stelling van appellante dat zij eerst later bekend werd met de mogelijkheid dat zij een rechtsvordering kon instellen of in beroep kon gaan bij de Heilige Stoel. Ook de stelling van appellante dat zij een eeuwige gelofte heeft afgelegd, leidt niet tot een ander oordeel omtrent de op haar burgerlijke rechten van toepassing zijnde verjaringstermijnen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- H.H. Gerdes
- N.L.H.M. Laane
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
