ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6428
Gerechtshof Amsterdam · 19-05-2005 · zaaknummer 03/3473 DK
Inhoudsindicatie
6. De rechtsoverwegingen 6.1. De vergunning is aan belanghebbende afgegeven met inachtneming van hetgeen in artikel 130 CDW en in hoofdstuk 4 van Verordening nr. 2454/93 ter uitvoering van het CDW dienaangaande is bepaald. 6.2. Hetgeen in de litigieuze passage van onderdeel 16, welke volgt op de opmerking inzake de “werkafspraken”, is opgenomen, is geen bepaling of voorwaarde als bedoeld in de sub 6.1. genoemde wettelijke voorschriften. De onderhavige passage strekt ertoe belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid van intrekking van de vergunning en/of navordering, ingeval het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de sub 2.1. vermelde uitspraak van de Douanekamer gegrond zou zijn verklaard. Zij heeft niet het karakter van een vergunningvoorwaarde, maar van een inlichting. 6.3. De passage is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, nu het daartoe vereiste rechtsgevolg ontbreekt. Dat rechtsgevolg zou eerst zijn opgetreden, indien de inspecteur - zo zich de in de onderhavige passage van onderdeel 16 vermelde situatie zou hebben voorgedaan - tot intrekking van de vergunning en/of navordering zou zijn overgegaan, tegen welke besluiten onverkort de gewone rechtsmiddelen zouden hebben opengestaan. 6.4. Op grond van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat aan belanghebbende de door haar gevraagde vergunning behandeling onder douanetoezicht is afgegeven. Voorts moet worden geoordeeld dat de desbetreffende passage van onderdeel 16 geen deel uitmaakt van die vergunning, en dat hetgeen in die passage is vermeld op zichzelf beschouwd niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, zodat ook geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 30a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 6.5. Tegenover de betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat door de inspecteur is gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel dat de inspecteur zijn bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning als de onderhavige heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. 6.6. Voorzover het bezwaar betrekking heeft op de vergunning, is het ontvankelijk, doch ongegrond. Voorzover het meergenoemde passage uit onderdeel 16 betreft, moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, zodat de bestreden uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur, doch de bestreden uitspraak kan niet in stand blijven.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
