Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2004:AS3379

Gerechtshof Amsterdam · 28-12-2004 · zaaknummer 03/1938DK

Bestuursrecht; Belastingrecht; Bestuursrecht; Europees bestuursrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De Douanekamer is op grond van eigen waarneming van het monster van oordeel dat de litigieuze ballonnen om verschillende redenen niet als speelgoed kunnen worden gekwalificeerd. De ballonnen kunnen alleen stilhangen in de lucht; het is bijvoorbeeld niet mogelijk om ermee over te gooien. Daarmee beschikken zij niet over de kenmerkende eigenschappen van speelgoed dat dient tot vermaak of spel. Daar komt bij dat de ballonnen niet via de speelgoedhandel worden verkocht, terwijl bovendien belanghebbende geen handelaar in speelgoed is. Op grond van een en ander concludeert de Douanekamer dat de litigieuze ballonnen niet bestemd en vervaardigd zijn om kinderen of volwassenen daarmee te doen spelen, maar dat deze in overwegende mate het karakter hebben van en overeenstemmen met het begrip “feestartikel”, als bedoeld bij post 9505 van het GDT, meer in het bijzonder onderverdeling 9505 90 00; het is van algemene bekendheid dat ze worden aangeschaft om het feestelijke of het bijzondere karakter van bepaalde gelegenheden te accentueren. De inspecteur heeft een beroep gedaan op de sub 3. weergegeven tekst van de bijlage, punt 3, van Verordening nr. 442/2000. De onderhavige ballonnen hebben evenwel niet exact dezelfde eigenschappen als de in dat punt omschreven ballonnen. Daar komt bij dat in de Verordening niet exact is aangegeven welke vorm en afmetingen de bedoelde ballonnen hebben. Het beroep van de inspecteur op de Verordening - naar analogie – lijkt terecht, gelet op rechtsoverweging 35 van het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2004, zaak nr. C-130/2, Krings GmbH, gepubliceerd in Douanerechtspraak 2004/47*. Indien de onderhavige Verordening inderdaad op de litigieuze goederen van toepassing is, heeft de Douanekamer, gelet op het 6.1. overwogene, ernstige twijfel over de vraag of deze wel in overeenstemming is met de bewoordingen van het GDT, derhalve twijfel over de geldigheid van de Verordening. In het vorenoverwogene ziet de Douanekamer aanleiding het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de voet van artikel 234 EG om een prejudiciële beslissing te verzoeken zoals sub 7. weergegeven. De Douanekamer verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vragen: 1. Moet punt 3 van de bijlage van Verordening (EG) nr. 442/2000 zo worden uitgelegd, dat dat punt ook ziet op de onder de feiten (sub 2. hiervoor) omschreven goederen? 2. Zo ja, is de Verordening dan op dat punt geldig? 3. Indien de Verordening ongeldig is of indien deze de onderhavige goederen niet bestrijkt, kan het GDT dan zo worden uitgelegd dat deze goederen moeten worden ingedeeld als “feestartikelen” van post 9505 90 00 ?

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.