Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2002:AN7942

Gerechtshof Amsterdam · 22-10-2002 · zaaknummer 98/90022

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In casu zijn van toepassing de indertijd geldende bepalingen van de verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld. In artikel 2, eerste lid, aanhef van de Verordening wordt voor een bij regelmatige invoer ontstane douaneschuld de aangever aansprakelijk gesteld. Ingevolge het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel is, wanneer de aangever heeft verklaard te handelen voor rekening van een ander, die ander hoofdelijk gehouden tot betaling van de douaneschuld. Belanghebbende is geen aangever; gesteld noch gebleken is dat een verklaring in vorenbedoelde zin is afgelegd, zodat geen sprake is van een aangifte voor rekening van belanghebbende. Op de voet van artikel 10 van de Verordening kunnen de lidstaten bepalingen vaststellen waarbij andere dan de in deze verordening genoemde personen tot betaling van een douaneschuld worden aangewezen. Artikel 124e van de Wet inzake de douane is een dergelijke bepaling. Op grond van dit artikel is een ander dan de belastingschuldige eveneens hoofdelijk tot betaling van de rechten bij invoer gehouden, indien door "toedoen" van die ander die rechten ten onrechte niet of niet volledig zijn geheven. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 25 september 1991, nr. 26 242, BNB 1991/320, is slechts sprake van "toedoen" indien: "degene die mede-aansprakelijk wordt gesteld, alleen dan wel tezamen met anderen handelingen heeft verricht dan wel heeft doen verrichten, welke erop gericht waren dat de bij invoer verschuldigde belasting niet of niet volledig zou worden geheven (…), of indien de mede-aansprakelijk gestelde, wetende dat anderen handelingen als hiervoor omschreven zouden (doen) verrichten, zijn daartoe noodzakelijke medewerking heeft verleend.". De inspecteur heeft belanghebbende - op de voet van artikel 124e WD - een uitnodiging tot betaling gedaan omdat aanvankelijk geen douanerechten zouden zijn geheven mede door haar "toedoen". Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende handelingen heeft verricht welke erop gericht waren dat de douanerechten niet geheven werden. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. Niet gebleken is dat belanghebbende reeds toen zij de certificaten ontving en deze bij de aangiften door de aangever liet overleggen, van de mogelijke ongeldigheid daarvan op de hoogte was. Evenmin was er toen voor haar reden om aan die geldigheid te twijfelen en dienaangaande bij de exporteur een nader onderzoek in te stellen. Dit leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet hoofdelijk tot de betaling van de douanerechten is gehouden.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.