ECLI:NL:GHAMS:2002:AL8188
Gerechtshof Amsterdam · 09-12-2002 · zaaknummer 97/90139
Inhoudsindicatie
Op grond van artikel 527 UCDW kan het controlekantoor eisen dat al dan niet periodiek, een inventarisatie wordt gemaakt van alle of van een deel van de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. Het CDW noch de UCDW laten de gevolgtrekking toe dat de uitkomst van die inventarisatie moet worden aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4, punt 5, CDW. Voorzover het beroep van belanghebbende mede is gericht tegen de mededeling van de inspecteur inhoudende het resultaat van de inventarisatie van de in haar douane-entrepot geplaatste goederen, is het beroep derhalve niet-ontvankelijk. Wat de verschuldigdheid van douanerechten betreft is tussen partijen niet in geschil dat deze verschuldigdheid betrekking heeft op niet-communautaire goederen die na de faillissementsdatum van belanghebbende en na publicatie van het vonnis van faillietverklaring in de Nederlandse Staatscourant in het douane-entrepot van belanghebbende zijn geplaatst. Voor deze goederen is een douane-aangifte gedaan tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots met als bestemming het douane-entrepot van het type C van belanghebbende, een douane-entrepot, waarbij de entreposeur dezelfde (rechts)persoon is als de entrepositaris. Dit betekent dat alleen belanghebbende, of een door haar aangewezen vertegenwoordiger, een douaneaangifte kon doen om niet-communautaire goederen in dit entrepot onder het stelsel van douane-entrepots te plaatsen. De voor de faillissementsdatum door belanghebbende verstrekte volmacht aan door haar aangewezen werknemers voor het doen van douaneaangiften eindigde op grond van artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek door het faillissement van de volmachtgever. Belanghebbende - bij monde van de curator - heeft gesteld dat na het faillissement geen nieuwe machtigingen zijn verstrekt aan enig natuurlijk persoon of rechtspersoon voor het doen van douaneaangiften op haar naam. Ingevolge artikel 5, leden 4 en 5, CDW rust op de inspecteur de bewijslast van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon, die de onderhavige douaneaangifte op naam van belanghebbende bij de douane heeft gedaan. De inspecteur heeft gesteld, doch niet het bewijs geleverd van het bestaan van een volmacht waaruit die vertegenwoordigingsbevoegdheid zou blijken. Evenmin kan de inspecteur zich beroepen op de indruk die door de zustervennootschappen dan wel door het optreden van de voormalige werknemers van belanghebbende bij de douaneambtenaren zou zijn gewekt, dat er wel een vertegenwoordigingsbevoegdheid bestond. Op grond van artikel 3:76, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek mocht de douane niet aannemen dat deze voormalige werknemers na publicatie van het vonnis van faillietverklaring, de bevoegdheid hadden om in naam van belanghebbende douaneaangiften te blijven doen. Evenzeer kan het optreden van de zustervennootschappen, die nooit enige bevoegdheid hebben gehad om namens belanghebbende douaneaangiften te doen, die indruk wekken. Naar het oordeel van de Douanekamer kunnen de litigieuze goederen niet worden aangemerkt als goederen die onder verantwoordelijkheid van belanghebbende als entrepositaris onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst, en kan belanghebbende in die hoedanigheid niet aansprakelijk worden gesteld.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
