Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1037

Gerechtshof Amsterdam · 19-11-2002 · zaaknummer 23-003075-01

StrafrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard wegens flagrante schending van artikel 27, derde lid, Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en het internationaal gewoonterecht, op grond waarvan een diplomatieke tas niet geopend of vastgehouden mag worden, zelfs niet indien het vermoeden bestaat dat er contrabande in de tas aanwezig is. In strijd met deze bepalingen en de verklaringen van het Koninkrijk der Nederlanden ten aanzien van het door de staat Bahrein gemaakte voorbehoud bij artikel 27, derde lid, van het Verdrag als het gaat om ernstige verdenking van in- of uitvoer van verboden goederen, heeft het openbaar ministerie zonder de Surinaamse autoriteiten in te schakelen diplomatieke tassen opengemaakt en onderzocht. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld, is de raadsman van mening dat de onderhavige zending gelet op haar uiterlijke kenmerken zich legitimeerde als diplomatieke post als gevolg waarvan artikel 27, derde lid, van het Verdrag had moeten worden toegepast. Daarnaast stelt de raadsman dat in casu de door de rechtbank gehanteerde schütznorm niet van toepassing is. Het gaat immers om een schending van de soevereiniteit van een andere lidstaat op Nederlands grondgebied, waarbij verdachte een direct belang heeft. Het geïndividualiseerde belang van verdachte (het directe belang) is in deze zaak dat verdachte erop vertrouwde -en mocht vertrouwen- dat de Nederlandse autoriteiten het Verdrag zouden naleven. Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer en overweegt daartoe als volgt. Gelet op de inhoud van de processen verbaal onder AH 01 tot en met AH 03 (met betrekking tot het aantreffen van vermoedelijk verdovende middelen in de litigieuze postzakken en de overige inhoud van die zakken) en AH 11 (het gesprek met de ambassadeur van Suriname waaruit blijkt dat de aangetroffen postzakken uiterlijk afweken van diplomatieke zendingen vanuit Suriname) in samenhang met artikel 27, vierde lid, van het Verdrag, kan op zijn minst achteraf worden vastgesteld dat de litigieuze postzakken met cocaïne geen diplomatieke zendingen waren. Nog daargelaten de vraag of de verbalisanten -die overigens gelet op de inhoud van de processen verbaal AH 01 tot en met AH 03 redelijkerwijs konden vermoeden dat in de postzakken cocaïne aanwezig was (geweest)- vooraf al hebben kunnen komen tot de notie dat het hier niet om diplomatieke post ging en nog daargelaten het feit dat uit het proces verbaal AH 11 zou kunnen worden afgeleid dat de Surinaamse autoriteiten achteraf bewilligd hebben in het litigieuze onderzoek waardoor de eventuele onrechtmatigheid van het onderzoek zou komen te vervallen, dient het verweer van verdachte en zijn raadsman reeds te worden verworpen omdat in het licht van het bovenstaande en gelet op de préambule van het Verdrag (waarin wordt aangegeven dat het doel van de in het Verdrag genoemde voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten) niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang van verdachte bij een eventueel onrechtmatig onderzoek van deze zakken is getroffen. Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen reden het openbaar-ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte terzake van onderhavige feiten. De rechtmatigheid van de bewijsgaring 1. Aan het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de raadsman als subsidiaire stelling toegevoegd dat het onderzoek van de tas(sen) niet rechtmatig is geweest en de resultaten daarvan als onrechtmatig verkregen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dit verweer faalt eveneens. Op dezelfde gronden als vermeld bij het primaire niet-ontvankelijkheidsverweer bestaat voor bewijsuitsluiting geen grond. 2. De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de printgegevens, de gegevens verkregen uit de telefoontaps en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten onrechtmatig zijn verkregen en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat -hoewel het hier ging om verdenking van een commuun strafbaar feit- de FIOD-ambtenaren werkzaam binnen het CARGO/HARC-team dat het opsporingsonderzoek in deze zaak heeft verricht, in strijd met hun in artikel 67, eerste lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen neergelegde geheimhoudingsplicht, gegevens uit de registratiesystemen van de belastingdienst ter beschikking hebben gesteld aan het opsporingsteam. Dit heeft geleid tot het achterhalen van de adressen en telefoonnummers van de medeverdachten en uiteindelijk tot de identiteit van de verdachte, aldus de raadsman. Dit verweer moet alleen al worden verworpen omdat het miskent dat het in de onderhavige zaak in de eerste plaats gaat om het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Europese Gemeenschap, zodat de ambtenaren van de belastingdienst (in casu de FIOD-ambtenaren die behoorden tot het CARGO/HARC-team) ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen juncto de Douanewet hierbij een eigen controle- en opsporingstaak hadden, waarbij zij gebruik konden maken van de hun specifiek ten dienste staande middelen zoals het raadplegen van de registratiesystemen van de belastingdienst. De opvatting dat het de bedoelde ambtenaren in het CARGO/HARC-team niet vrijstond aan andere in dat team werkzame opsporingsambtenaren de uit genoemde registratiesystemen verkregen informatie ter beschikking te stellen, zoals nog door de raadsman betoogd, vindt geen steun in het recht, ook niet in het door de raadsman in dit verband genoemde Voorschrift informatieverstrekking 1993.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.