Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3939

Gerechtshof Amsterdam · 12-09-2001 · zaaknummer 00/02118

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in 1985 in dienst getreden bij A B.V., gevestigd in Nederland. In de periode van 1 oktober 1985 tot 1 januari 1992 verrichtte hij zijn werkzaamheden in Nederland. In 1992 en 1993 heeft hij zijn werkzaamheden in België en Luxemburg verricht. In 1994 heeft hij 7 maanden in Nederland gewerkt en 5 maanden in België en Luxemburg. In 1995 heeft hij 6 maanden in Nederland gewerkt en 6 maanden in België en Luxemburg. In 1996 en 1997 heeft belanghebbende uitsluitend in België en Luxemburg gewerkt. Gedurende deze gehele periode woonde belanghebbende in Nederland. Belanghebbende is met ingang van 1 januari 1992 benoemd tot Country Manager voor België en Luxemburg. Belanghebbende bleef ingeschreven op de werknemerslijst van A Nederland. De kosten gedragen door A Nederland (salaris, pensioen, sociale voorzieningen) werden doorbelast aan A België. Belanghebbende is in 1992 benoemd tot onbezoldigd afgevaardigd bestuurder van A België. Gedurende het dienstverband met A B.V. genoot belanghebbende geen salaris van andere concernmaatschappijen. Eind 1997 is het A-concern overgenomen door B. Per 1 januari 1998 volgde de integratie van beide organisaties. Hierdoor kwam een einde aan de werkzaamheden van belanghebbende in België en Luxemburg. Ingaande 31 december 1997 is belanghebbende ontslagen als afgevaardigd bestuurder van A België. Belanghebbende keerde terug naar Nederland als adviseur van de directie van A Nederland B.V. Per 28 februari 1998 is de arbeidsovereenkomst tussen A B.V. en belanghebbende ontbonden. In de Termination of Agreement is onder meer vermeld dat ‘A will pay mr X full and final settlement and indemnification for loss of income and pension rights and any other material and immaterial damages mr X may suffer as a consequence of and in connection with the termination.’ en voorts ‘a severance payment of dfl. 1.250.000 gross, will be paid together with the last salary payment at termination’. De ontslagvergoeding is in grote lijnen berekend aan de hand van de zogenoemde ‘Claeys-formule’ waarin de vergoeding uitgaande van het maandsalaris wordt berekend op basis van een factor die toeneemt naar rato van diensttijd en leeftijd. In de berekening is de diensttijd in België meegerekend. A heeft in februari 1998 een verzoekschrift ex art. 7:685 BW bij de Kantonrechter ingediend waarin wordt verzocht om ontslag van belanghebbende om gewichtige redenen. De Kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen A B.V. en belanghebbende ontbonden en aan belanghebbende een vergoeding toegekend van f.1.250.000. De ontslagvergoeding is betaald door het Europese hoofdkantoor van A/B dat is gevestigd in Duitsland. In een brief van september 1998 deelt de inspecteur de gemachtigde mede dat het standpunt van de belastingdienst is dat over de gehele afkoopsom loonbelasting naar het bijzondere tarief moet worden ingehouden daar het volledige heffingsrecht aan Nederland is toegewezen. Verwezen wordt naar een uitspraak van Hof Amsterdam. Omdat tegen die uitspraak inmiddels beroep in cassatie was ingesteld verzocht de gemachtigde om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad uitspraak zou hebben gedaan. De inspecteur is hiermede akkoort gegaan. Op 10 februari 1999 wees de Hoge Raad arrest: BNB 1999/153. In de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1993 tot en met 1995 vermeldde belanghebbende telkens dat hij gewerkt heeft voor A in België en Luxemburg en dat hij voor de betreffende bedragen was onderworpen aan buitenlandse inkomstenbelasting. Er werd geen verdragsartikel vermeld. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse fiscus heffingsbevoegd is m.b.t. de gehele ontslagvergoeding; belanghebbende meent dat Nederland ten aanzien van een evenredig deel heffingsbevoegd is. Daarnaast verzoekt belanghebbende de inspecteur te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb ad f.11.295. Hof: Uit de vastgestelde feiten leidt het Hof af dat belanghebbende van 1 oktober 1985 tot 1 maart 1998 in dienstbetrekking was bij A B.V. in Nederland en dat hij werd gedetacheerd in België. Belanghebbende ontving voor alle werkzaamheden voor het A-concern uitsluitend salaris van A B.V. Aannemelijk is dat dit salaris mede betrekking had op de in België en Luxemburg verrichte werkzaamheden. Het Hof leidt af dat de ontslagvergoeding is toegekend terzake van de beëindiging van de dienstbetrekking met A B.V. doch dat bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding alle voor het concern verrichte werkzaamheden in aanmerking zijn genomen. Uit onder meer de Termination Agreement leidt het Hof af dat de vergoeding mede is toegekend ter compensatie van een mogelijk lager salaris in een toekomstige functie. Verworpen wordt het standpunt van belanghebbende dat de vergoeding is toe te rekenen aan de activiteiten van belanghebbende als bestuurder van de Belgische vennootschap en dat daarom de vergoeding op grond van artikel 16 van het Verdrag ter heffing dient te worden toegewezen aan België. Naar ’s Hofs oordeel kan de ontslagvergoeding niet worden aangemerkt als een rechtstreekse beloning voor bepaalde, al dan niet in België of Luxemburg verrichte arbeid, maar vindt zij haar oorzaak in het ontslag uit een Nederlandse dienstbetrekking en de daaruit voortvloeiende schade. Ontslagvergoeding dient niet deels ter heffing aan België te worden toegewezen nu de vergoeding is doorbelast aan de Duitse moedermaatschappij en reeds daarom geen heffingsrecht aan België toekomt. De fiscale behandelijg van de reguliere salarisbetalingen kan niet het vertrouwen hebben gewekt dat de ontslagvergoeding op gelijke wijze zou worden belast. Het verzoek om de inspecteur te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding wordt afgewezen nu belanghebbende de schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.