ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2713
Gerechtshof Amsterdam · 18-07-2001 · zaaknummer 00/01750
Inhoudsindicatie
Belanghebbende was sedert 1983 in gemeenschap van goederen gehuwd met V. Op 22 januari 1997 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend en is tussen hen een echtscheidingconvenant gesloten. De beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken is op 27 februari 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Belanghebbende had medio 1996 een functie aanvaard in het Verre Oosten. Aanvankelijk was de bedoeling dat belanghebbende met zijn hele gezin naar het Verre Oosten zou verhuizen. Tijdens de verhuizing kwamen belanghebbende en zijn echtgenote tot de conclusie dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en is besloten tot echtscheiding. Belanghebbende heeft Nederland metterwoon verlaten op 5 maart 1997. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn op 4 maart 1997 overeengekomen dat de alimentatie in onderling overleg is bepaald op f.4.000 per maand en voorts dat de man een afkoopsom groot f.240.000 zal betalen ter betaling ineens van de alimentatie voor de komende 5 jaar. In verband met het spoedige vertrek van de man naar het buitenland is alles, dat wil zeggen zowel de betaling van de maandelijkse bedragen aan de vrouw als de financiering van de afkoop geregeld met een besloten vennootschap, waarvan de directeur/aandeelhouder bevriend is met de man en de vrouw. Ter zitting heeft voornoemde directeur/aandeelhouder een verklaring afgelegd om de gang van zaken toe te lichten. De inspecteur heeft geweigerd het bedrag van f.240.000 in aftrek toe te laten. Hof: Aannemelijk is dat belanghebbende en zijn voormalige echtgenote in elk geval vóór 5 maart 1997, toen belanghebbende nog binnenlands belastingplichtig was, tot een mondelinge overeenkomst zijn gekomen omtrent de afwikkeling van de alimentatieplicht en met name de afkoop voor een periode van 5 jaar door de man. Daaraan doet niet af dat de betreffende overeenkomsten eerst in april 1997 schriftelijk zijn vastgelegd toen belanghebbende zich tijdelijk in Nederland bevond. Belanghebbende heeft het bedrag ad f.240.000 betaald in de zin van artikel 38, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vóór het einde van zijn binnenlandse belastingplicht.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
