Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9490

Gerechtshof Amsterdam · 15-12-2000 · zaaknummer 99/3232

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Tegen de navorderingsaanslag is niet binnen de wettelijke termijn van zes weken een bezwaarschrift ingediend. Wel heeft de gemachtigde op 18 augustus 1997, al vóór het opleggen van de navorderingsaanslag, op verzoek van de inspecteur het nog eerder ingediende pro forma bezwaarschrift gemotiveerd. Op grond van de inhoud van de correspondentie tussen inspecteur en gemachtigde kon laatstgenoemde menen dat de navorderingsaanslag op of kort voor 5 augustus 1997 was opgelegd. Met toepassing van artikel 6:10 Awb wordt de brief van 18 augustus 1997 aangemerkt als een ontvankelijk bezwaarschrift. Aan belanghebbende is over 1992 geen primitieve aanslag opgelegd. De inspecteur legt in 1997 de bestreden navorderingsaanslag op. De inspecteur heeft geen nieuw feit. Hij beschikte al in 1994 over een justitieel onderzoeksrapport. De verdenkingen zijn van dien aard dat de inspecteur een verzuim beging door geen nader eigen onderzoek in te stellen. De door de inspecteur gestelde nadere wetenschap van latere datum is te vaag om als nieuw feit te dienen. Inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat omkering van de bewijslast dient plaats te vinden. Nu aan belanghebbende voor het jaar 1992 geen aangiftebiljet is uitgereikt, is de stelling van de inspecteur onjuist (HR BNB 1979/170). Inspecteur slaagt in het bewijs dat belanghebbende uit illegale werkzaamheden voor een organisatie inkomsten heeft genoten tot een bedrag van ƒ 180.917. Het bewijs is in casu niet onrechtmatig verkregen. Er is geen sprake van bewijsmiddelen die door het OM op onrechtmatige wijze jegens belanghebbende zijn verkregen. Voor het overige kan niet worden gezegd dat de inspecteur in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door van de uitkomsten van het opsporingsdossier, dat hem op regelmatige wijze ter beschikking kwam en waarin de vergaring van het bewijs slechts op bijkomstige wijze ten laste van belanghebbende geschiedde, gebruik te maken. Ten aanzien van de feiten ter zake waarvan wordt nagevorderd heeft belanghebbende de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthouden. Voor zover belanghebbende stelt dat hij uit de wetsgeschiedenis het vertrouwen mocht ontlenen dat na een onzorgvuldige toetsing door de inspecteur niet zou worden nagevorderd met een beroep op de kwade trouw van de belastingplichtige, kan een dergelijk beroep hem niet baten. De uitbreiding van de navorderingsbevoegdheid is juist bedoeld om de belastingplichtige die te kwader trouw is niet langer de bescherming te geven van de eis van het nieuwe feit. De voor andere uitleg vatbare uitlating van de staatssecretaris is gedaan als medewetgever, zodat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen (HR BNB 1993/336). De verhoging komt te vervallen. Artikel 7 EVRM verhindert een boete-oplegging in een geval van kwade trouw in 1993 waarbij de navorderingsmogelijkheid pas op 4 mei 1994 is gecreëerd. Het verzoek van belanghebbende tot veroordeling van de inspecteur in de schade, ontstaan door het maken van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase (ƒ 16.750) wordt toegewezen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [belanghebbende]

    belanghebbende · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.