ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7980
Gerechtshof Amsterdam · 15-10-2000 · zaaknummer P99/03764
Inhoudsindicatie
Belanghebbende bezit een aanmerkelijk belang in drie vennootschappen. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of deze vennootschappen zijn aan te merken als een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen. Een redelijke uitleg van artikel 7, tweede lid van de Wet op de vermogensbelasting 1964 brengt mee dat in het algemeen in situaties waarin sprake is van een aanmerkelijk belang in een houdstermaatschappij, voor de beoordeling van de vraag of de ondernemingsvrijstelling van toepassing is, uitgegaan moet worden van de geconsolideerde balans van de houdstermaatschappij en van alle dochtermaatschap-pijen waarin de belastingplichtige indirect een aanmerkelijk belang heeft, alsmede van het geheel van activiteiten van al deze vennootschappen. In het onderhavige geval komt het Hof tot het oordeel dat de activiteiten van de vennootschappen waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang houdt, tezamen beoordeeld, niet meer omvatten dan het beleggen van vermogen zodat de ondernemingsvrijstelling niet van toepassing is.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
