ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7776
Gerechtshof Amsterdam · 18-01-2000 · zaaknummer 98/1351
Inhoudsindicatie
Belanghebbende vormt met ingang van 1994 een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap A BV. A BV was tot en met 1992 gevoegd met B BV. In 1991 dan wel 1992, toen A BV met B BV gevoegd was, zijn de activa die (civielrechtelijk) tot het vermogen van A BV behoren door B BV afgewaardeerd. Belanghebbende stelt dat deze afwaardering ten onrechte door de inspecteur van B BV is aanvaard en wenst voor de bepaling van de afschrijvingen op de activa die (civielrechtelijk) tot het vermogen van A BV behoren uit te gaan van de waarde van die activa zoals die zou zijn zonder de afwaardering van die activa door B BV. Het Hof oordeelt dat de bij de totstandkoming van de fiscale eenheden gestelde voorwaarden 1 en 11 zich tegen het standpunt van belanghebbende verzetten, ongeacht de vraag of de afwaardering bij B BV terecht is aanvaard. Genoemde voorwaarden zijn voor de totstandkoming en verbreking van een fiscale eenheid te beschouwen als een verbijzondering van de regel dat er voor een juiste vaststelling van de winst sprake dient te zijn van balanscontinuïteit. Deze regel draagt ertoe bij dat een voordeel uit onderneming weliswaar éénmaal, maar ook niet meer dan éénmaal wordt belast.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
