ECLI:NL:CRVB:2022:800
Centrale Raad van Beroep · 31-03-2022 · zaaknummer 21/3617 AW
Inhoudsindicatie
Anders dan de rechtbank heeft gedaan, dient niet de inspecteur van de Belastingdienst maar de staatssecretaris als procespartij te worden aangemerkt. De Raad heeft dit hersteld. Appellant heeft aangevoerd dat hij met de leidinggevende bedrijfsvoering op 16 mei 2014 de (afwijkende) afspraak heeft gemaakt dat hij een reis als hoofd [nevenfunctie] mocht declareren als dienstreis hoge km en dat hij verblijfskosten mocht declareren. Deze (afwijkende) afspraak gold volgens appellant tot de datum waarop de openingstijden in het gewijzigde Rijksbrede [organisatieonderdeel] en [plan] ( [organisatieonderdeel] plan) op 08.00 uur en 17.00 uur zijn vastgesteld in plaats van op 07.00 uur tot 18.00 uur. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op het e-mailbericht van 29 augustus 2018 van de plaatsvervangend directeur. Ter zitting heeft appellant een e-mailbericht van 7 mei 2018 met als bijlage een update van het [organisatieonderdeel] plan met de gewijzigde openingstijden overgelegd. De Raad volgt appellant in zijn betoog. De staatssecretaris heeft in hoger beroep geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de openingstijden in het [organisatieonderdeel] plan vóór 1 mei 2018, en meer specifiek per 1 februari 2017, al waren gewijzigd. Verder is de staatssecretaris niet ter zitting verschenen en heeft hij het standpunt van appellant over de ingangsdatum van de gewijzigde openingstijden niet specifiek bestreden. Voor verrekening van deze bedragen met het salaris over de maand juli 2017 bestond daarom geen grond. Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn verzoek om toekenning van een dwangsom ten onrechte is afgewezen op de grond dat hij de staatssecretaris onredelijk laat in gebreke heeft gesteld als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betoog slaagt niet. Wat in 4.4 is overwogen, leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 maart 2020 ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat nabetaling moet plaatsvinden van de in de salarisspecificatie van juli 2017 verrekende dienstreisdeclaraties ‘auto hoge km’ en de verblijfskostenvergoedingen over deze periode en zal de salarisspecificatie van juli 2017 in zoverre herroepen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
