ECLI:NL:CRVB:2022:768
Centrale Raad van Beroep · 06-04-2022 · zaaknummer 20/3618 ZW
Inhoudsindicatie
In geschil is of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 28 juli 2019 heeft beëindigd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar toegelicht dat, ondanks de vele lichamelijke klachten, een medisch objectiveerbare grond voor verdergaande beperkingen ontbreekt. Zo is voor de neiging van appellante dingen uit haar handen te laten vallen, geen objectiveerbare oorzaak gevonden, zoals zij zelf ook heeft beaamd op het spreekuur van 13 juni 2019. Er zijn evenmin medische stukken overgelegd waarin aanknopingspunten zijn te vinden voor meer psychische beperkingen. Dat de verzekeringsarts van Stichting SAP wel is uitgegaan van meer beperkingen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Uit de overwegingen volgt dat appellante de wachttijd van 104 weken, die is aangevangen op de eerste ziektedag 10 augustus 2017, niet heeft vervuld. Met de rechtbank wordt overwogen dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 8 augustus 2017 een WIA-uitkering toe te kennen.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
