ECLI:NL:CRVB:2022:736
Centrale Raad van Beroep · 31-03-2022 · zaaknummer 20/550 WW
Inhoudsindicatie
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank dat op grond van de toepasselijke regelgeving het prepensioen van appellant in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering en de daaraan ten grondslag liggende – onder 2 weergegeven –overwegingen worden onderschreven. Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling dat de prepensioenuitkering feitelijk een arbeidsongeschiktheidspensioen betreft. Hiertoe wordt verwezen naar het Uniform Pensioenoverzicht 2017 en de toelichting van het pensioenfonds in de brief van 13 februari 2019, zoals onder 1.5 weergeven. Op grond van de toepasselijke regelgeving moet het prepensioen van appellant in mindering worden gebracht op de WW-uitkering. De door appellant ter zitting gestelde negatieve financiële gevolgen van de verrekening van het prepensioen met zijn WW-uitkering leiden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellant zal worden afgewezen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
