ECLI:NL:CRVB:2022:716
Centrale Raad van Beroep · 23-03-2022 · zaaknummer 21/75 WW
Inhoudsindicatie
Appellante heeft gesteld dat zij al eerder dan op 2 januari 2019 met haar werkzaamheden bij de werkgever is aangevangen en dat daarmee de overeengekomen proeftijd eerder is gaan lopen. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overeengekomen proeftijd eerder is gaan lopen dan bij aanvang van de arbeidsovereenkomst op 2 januari 2019. Dat betekent dat ook geen grond bestaat voor het oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 31 januari 2019 buiten de proeftijd is geschied. Appellante heeft haar ontslag ook niet aangevochten bij de civiele rechter, zodat dit ontslag onherroepelijk is geworden. Gelet hierop had appellante na 31 januari 2019 geen loon te vorderen en daarmee niet meer recht op uitkering dan door het Uwv in het besluit van 19 juli 2019 over de niet opgenomen vakantiedagen in januari 2019 is toegekend. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
