ECLI:NL:CRVB:2022:706
Centrale Raad van Beroep · 17-03-2022 · zaaknummer 18/4908 WIA
Inhoudsindicatie
In geschil is de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA in de periode in geding van 1 januari 2016 tot en met 27 september 2016 heeft vastgesteld op 75,96% en de WGA-vervolguitkering van appellante niet heeft gewijzigd. De grond van appellante dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat zij in de primaire fase niet is gezien door een geregistreerd verzekeringsarts en in bezwaar niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, slaagt niet. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport is ook inzichtelijk en consistent. Wat appellante heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om de conclusies van de deskundige niet te volgen. Met name de hevige angsten van appellante in de periode in geding geven volgens de deskundige aanleiding tot een energetische beperking en beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De deskundige heeft de belastbaarheid, zoals die in vastgesteld in de FML van 23 februari 2017 en waarin deze beperkingen zijn opgenomen, goed kunnen volgen en heeft geen argumenten gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen, ook niet wat betreft de lichamelijke beperkingen. Ten aanzien van de verzamelstoornis heeft de deskundige nog toegelicht dat dit geen ander licht werpt op de zaak, omdat er beperkingen in de FML zijn opgenomen voor de lijdensdruk die dit met zich meebrengt en appellante bovendien met dit ongewijzigde probleem sinds 2019 weer in staat is om als apotheker werkzaam te zijn. Zoals het Uwv ook heeft gesteld, is de discussie omtrent de BIG-registratie van appellante in de periode in geding niet doorslaggevend voor de beoordeling in deze zaak. Dat Fokke de angsten heeft benoemd als agorafobie geeft geen aanleiding de conclusies van de deskundige niet te volgen. Ook de stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met het gebruik van het medicijn methylfenidaat, faalt. Uit 4.2 tot en met 4.4.6. volgt dat de conclusie van de deskundige dat in de periode in geding geen sprake was van de situatie dat appellante geen benutbare mogelijkheden had en dat de beperkingen van appellante correct in de FML van 23 februari 2017 zijn weergegeven, wordt gevolgd. Uitgaande van de juistheid van die FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in de periode in geding in staat was tot het verrichten van de geduide functies. In het geval van appellante is de redelijke termijn met ruim 16 maanden overschreden en is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase en komt dus geheel voor rekening van de Staat. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
