ECLI:NL:CRVB:2022:672
Centrale Raad van Beroep · 15-03-2022 · zaaknummer 21/2470 WIA-T
Inhoudsindicatie
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 20 december 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek wordt onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar herhaalde stelling dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek omdat verzuimd is informatie op te vragen bij de huisarts over de behandeling bij de POH-GGZ. Er bestaat gelet op de beschikbare medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de in de FML van 20 april 2020 opgenomen beperkingen als gevolg van psychische stoornissen bij appellante. Ook de grond dat de psychische klachten, zware hoofdpijnen en de pijn in arm en schouder ten onrechte niet in onderlinge samenhang zijn beoordeeld, slaagt niet. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd op basis waarvan twijfel is ontstaan dat de combinatie van deze klachten zou leiden tot meer beperkingen dan aangenomen in de FML van 20 april 2020. De Raad ziet aanleiding, gelet op het uitgebreide psychodiagnostisch onderzoek en de goed gemotiveerde conclusies van de onderzoekers, de door Van Arkel vastgestelde cognitieve beperkingen te volgen zoals weergegeven in de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek van 2 november 2021. De (enkele) stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat klip en klaar is dat bij het onderzoek sprake was van simulatie of aggravatie wordt verworpen. Gelet op wat inmiddels vaststaat over de bij appellante bestaande cognitieve beperkingen en de (ook al in bezwaar en beroep gegeven) toelichting van appellante dat zij in die functie slecht functioneerde, mist deze niet onderbouwde stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep feitelijke grondslag. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag en (wat betreft de urenbeperking) een gebrekkige motivering bevat. Het bestreden besluit is dan ook in strijd te achten met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zal de uit het psychodiagnostisch onderzoek van Van Arkel blijkende cognitieve beperkingen, zoals samengevat weergegeven in 4.6.2, moeten vertalen naar beperkingen in de FML. Bovendien zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader dienen te motiveren of op basis van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek een (preventieve) urenbeperking aan de orde is. Het Uwv moet vervolgens bezien of arbeidskundig onderzoek aanleiding geeft tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Termijn van zes weken.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
