Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2022:417

Centrale Raad van Beroep · 17-02-2022 · zaaknummer 21/2472 ZW

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 03-03-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

21/2472 ZW. Zoals ter zitting is vastgesteld is de zogenaamde gecombineerde maatman zoals omschreven in 3.2 tussen partijen niet in geschil, zodat ook de Raad bij zijn beoordeling daarvan zal uitgaan. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden tegen bestreden besluit 1 naar voren gebracht. Wat betreft de medische grondslag van bestreden besluit 1 wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht en er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat uit het belastbaarheidsonderzoek blijkt dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de in beroep overgelegde informatie van de psycholoog van Winnock van 11 september 2020 ten onrechte niet aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep is voorgelegd. Er bestaat geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van het medisch oordeel, is er geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige. Het verzoek van appellant om een psycholoog als deskundige te benoemen wordt daarom afgewezen. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep tegen bestreden besluit 1 niet slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. 21/2473 ZW. Nu uit voorgaande blijkt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant per 15 augustus 2019 geen recht heeft op een ZW-uitkering, staat eveneens vast dat het Uwv aan appellant over de periode 11 september 2019 tot en met 31 oktober 2019 onverschuldigd ZW-uitkering heeft betaald. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht tot terugvordering. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, als bedoeld in het zesde lid van artikel 33 van de ZW, is geen sprake. Appellant heeft daarop ook geen beroep gedaan. Ook in zoverre wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.