ECLI:NL:CRVB:2022:196
Centrale Raad van Beroep · 19-01-2022 · zaaknummer 20/2154 ZW
Inhoudsindicatie
In geschil is of het Uwv appellant per 29 april 2019 terecht weer geschikt heeft geacht voor (tenminste één van) de bij de WIA-geselecteerde functies. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding. Van herroepen van het besluit van 23 april 2019 in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Het rechtsgevolg van het bestreden besluit is niet anders. Appellant heeft de stelling dat er geen equality of arms is geweest niet nader onderbouwd. Bovendien heeft appellant zijn knieklachten alleen bij zijn huisarts gemeld, was er dus geen specialistische informatie aanwezig, en heeft hij niet aangevoerd dat zijn kniebeperkingen zijn onderschat. De conclusie luidt dat appellant per 29 april 2019 terecht weer geschikt is geacht voor (tenminste één van) de bij de WIA-geselecteerde functies. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Rechters
Advocaten
- E.C. van der Meer
- S.L. Soedamah
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
