ECLI:NL:CRVB:2022:174
Centrale Raad van Beroep · 13-01-2022 · zaaknummer 20/2634 ZW
Inhoudsindicatie
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant over de periode 9 oktober 2017 tot en met 28 januari 2018 heeft herzien en een bedrag van € 3.165,35 aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over deze periode heeft teruggevorderd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het in deze procedure bestreden besluit is het besluit van 1 oktober 2019, waarbij het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 16 april 2018 ongegrond is verklaard. Hoewel goed voor te stellen is dat de ontvangst van meerdere terugvorderings- en invorderingsbesluiten binnen een relatief kort tijdsbestek maakte dat een en ander voor appellant en zijn vader moeilijk te doorgronden was, betekent dat niet dat het Uwv om die reden van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het in dit verband gedane beroep op het vertrouwensbeginsel, niet slaagt. De slotsom is dat het Uwv de ZW-uitkering van appellant over de periode van 9 oktober 2017 tot en met 28 januari 2018 terecht heeft herzien en terecht de over deze periode onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
