ECLI:NL:CRVB:2022:171
Centrale Raad van Beroep · 13-01-2022 · zaaknummer 18/156 WIA
Inhoudsindicatie
Appellante heeft niet slechts hand- en spandiensten verricht voor [uitzendbureau 2] maar dat zij meer heeft gewerkt dan de door haar geschatte omvang van 3,5 uur per week. De gedingstukken bieden voldoende aanknopingspunten dat appellante haar werkzaamheden als intercedente bij [uitzendbureau 1] in substantiële mate heeft voortgezet bij [uitzendbureau 2]. De conclusie van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht het recht op WW niet kan worden vastgesteld, waardoor het Uwv was gehouden de WW-uitkering van appellante in te trekken en terug te vorderen, wordt onderschreven. Dit geldt ook voor de conclusie dat als gevolg van het intrekken van de WW-uitkering appellante niet als werknemer wordt beschouwd in de zin van ZW en de WIA, zodat het Uwv ook was gehouden de ZW- en de WIA-uitkering van appellante in te trekken en terug te vorderen.
Advocaten
- Mr. P.F.M. Deijkers
- P. Heijnen
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
