ECLI:NL:CRVB:2022:126
Centrale Raad van Beroep · 19-01-2022 · zaaknummer 20/3044 WSF
Inhoudsindicatie
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen, dat het door de controleurs opgemaakte rapport de minister een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt dat aannemelijk is, en aangetoond is, dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op het brp-adres. In het bijzonder wordt van belang geacht dat op de kamer die appellant in de hier aan de orde zijnde periode zou delen met zijn opa allerlei spullen van zijn opa zijn aangetroffen maar, behoudens (mogelijk) een geringe hoeveelheid kleding, niets is aangetroffen dat tot appellant te herleiden valt. Nu appellant in februari 2019, en ook ten tijde van het huisbezoek, nog steeds geen eigen kamer had is de gegeven verklaring niet geloofwaardig. Appellant heeft zijn stelling dat zijn opa in verband met zijn gezondheid elders verpleegd werd en zijn opa daarom bijna nooit op het brp-adres was, op geen enkele wijze onderbouwd. Appellant heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij huur betaalde. Nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij huur betaalde is de vraag of sprake is van een reële huurprijs verder niet van betekenis. Met de twee overgelegde getuigenverklaringen heeft appellant onvoldoende tegenbewijs geleverd. Uit wat is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
