ECLI:NL:CRVB:2022:1093
Centrale Raad van Beroep · 04-05-2022 · zaaknummer 20/868 WW
Inhoudsindicatie
Voor de toepassing van artikel 35 van de WW moet aan de eerdere aanvraag van appellante worden voorbijgegaan, omdat daarop al definitief was beslist. Voor beide appellanten geldt hier dat op grond van de eerste volzin van dit artikel betaalbaarstelling van WW-uitkering over perioden eerder dan 26 weken voor 10 januari 2019 niet mogelijk is. Partijen verschillen over de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van dat artikel. Hierover wordt als volgt overwogen. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat sprake is van een bijzonder geval omdat zij werden geconfronteerd met extreem hoge navorderingsaanslagen in het kader van de inkomstenbelasting en naheffingsaanslagen loonheffing. Uit 4.5 volgt dat appellanten niet hebben voldaan aan de in dezen op hen rustende bewijslast. Van een bijzonder geval is geen sprake, zodat het Uwv niet bevoegd was om af te wijken van het bepaalde in artikel 35, eerste volzin, van de WW en terecht de WW-uitkeringen van appellanten tot en met 11 juli 2018 niet heeft uitbetaald. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
