Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2021:884

Centrale Raad van Beroep · 16-04-2021 · zaaknummer 19/2509 WW

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 20-04-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Nu appellant bij brief van 5 januari 2021 heeft aangegeven geen gronden aan te voeren tegen het besluit van 19 november 2020, moet het ervoor worden gehouden dat appellant dit besluit niet bestrijdt. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit van 19 november 2020 daarom niet in de beoordeling betrokken. Gelet op de in hoger beroep nader door partijen ingenomen standpunten is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake is van contra-indicaties op grond waarvan geoordeeld moet worden dat appellant het besluit van 5 oktober 2015 heeft ontvangen en dat het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat de brief van 18 september 2015 en het dwangbevel van 18 maart 2016 contra-indicaties opleveren op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellant het besluit van 5 oktober 2015 moet hebben ontvangen. Voor de Raad staat wel vast, anders dan appellant pas ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, dat appellant het dwangbevel van 18 maart 2016 heeft ontvangen. Bij de na de zitting door het Uwv overgelegde stukken bevindt zich echter ook een brief van het Uwv van 24 december 2015, waarin is vermeld dat appellant op die dag het Uwv telefonisch heeft laten weten dat hij het bedrag van € 2.657,56 niet kan terugbetalen. Uit de verstrekte informatie door het Uwv is gebleken dat op 24 december 2015 een KCC-melding is gedaan. Daarmee is sprake van een contra-indicatie waaruit volgt dat appellant het besluit wel moet hebben ontvangen. Dit betekent dat het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit het voorgaande volgt dat pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellant niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, worden bevestigd. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Advocaten

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.