ECLI:NL:CRVB:2021:625
Centrale Raad van Beroep · 18-03-2021 · zaaknummer 18/5256 WIA
Inhoudsindicatie
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat dat zou moeten leiden tot een andere wijze van vaststelling van het inkomen van appellante. Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij in 2014 teveel uitkering ontving. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De omstandigheid dat appellante zich genoodzaakt heeft gevoeld om naast haar werkzaamheden als zelfstandige ook werkzaamheden in loondienst te accepteren is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het volgen van de voorschriften als neergelegd in artikel 4:1 van het AIB leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
