ECLI:NL:CRVB:2021:506
Centrale Raad van Beroep · 09-03-2021 · zaaknummer 19/3240 PW
Inhoudsindicatie
Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de intrekkingsperiode zijn woonplaats niet meer in gemeente Utrecht had. Anders dan het college heeft betoogd, biedt de verklaring van appellant dat hij vijf à zes dagen per week op adres X te Bunnik verblijft, op zichzelf noch in samenhang bezien met de omstandigheid dat appellant zijn huisarts in de gemeente Wijk bij Duurstede had, daarvoor een toereikende feitelijke grondslag. Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid dat het centrum van het maatschappelijk leven van appellant zich in de periode in geding, die ruim twee weken heeft geduurd, buiten de gemeente Utrecht bevond en ook niet dat appellant zijn woonplaats in die gemeente heeft willen prijsgeven. Het college heeft onvoldoende relevante aspecten van het maatschappelijk leven van appellant onderzocht. Het motiveringsgebrek kan echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Uit de verklaring van appellant volgt dat appellant in de te beoordelen periode geen zwervende dakloze te Utrecht was. Hij beschikte immers over een vast verblijfadres buiten deze gemeente.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
