ECLI:NL:CRVB:2021:367
Centrale Raad van Beroep · 18-02-2021 · zaaknummer 20/1115 AW
Inhoudsindicatie
In hoger beroep keert appellant zich uitsluitend tegen de met ingang van 1 april 2019 aan hem opgedragen werkzaamheden. De gronden die appellant heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Appellant was gehouden om de overeengekomen functie van (toegevoegd) [functie] tot 1 juni 2019 te vervullen. Het ruim voor deze datum in dienst nemen van een nieuwe [persoon in de functie] maakt dat niet anders. Het vroegtijdig aannemen van de opvolgend [persoon in de functie] betekende dus niet dat er voor appellant geen werk meer was, gaf hem geen vrijbrief het werk neer te leggen en aldus eenzijdig de overeengekomen datum van beëindiging van de werkzaamheden van 1 juni 2019 te vervroegen naar 1 april 2019. Nu appellant eerder gedurende bijna vier jaar de functie van [functie] naar tevredenheid heeft vervuld, heeft het bestuur in redelijkheid die werkzaamheden aan appellant kunnen opdragen. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd.
Rechters
Advocaten
- Mr. J.F.M. Wasser
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
