ECLI:NL:CRVB:2021:3258
Centrale Raad van Beroep · 17-12-2021 · zaaknummer 21/705 AW
Inhoudsindicatie
De aanvullende uitkering dient in het geval van appellant op grond van het (oude) artikel 39, zesde en zevende lid, van het Bbp berekend te worden op basis van een percentage van 90,02% van de laatstverdiende bezoldiging. Dit is ook het hoogste percentage vermeld in dit artikel. Hieruit volgt dat de korpschef de hoogte van de aanvullende uitkering op juiste wijze heeft berekend. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de korpschef conform het handboek loonheffingen 2019 het bijzonder tarief terecht heeft toegepast bij de uitbetaling van de aanvullende uitkering. De korpschef heeft juist beslist op het verzoek om renteschade, waarbij de wettelijke rente over de uitbetaling van de aanvullende uitkering is toegekend vanaf 19 maart 2018. Bij de vaststelling van de ingangsdatum van de wettelijke rente is terecht uitgegaan van een verzuim dat is ingetreden na veertien weken vanaf de datum dat appellant het eerste verzoek om uitbetaling had gedaan, zijnde 10 december 2017.
Rechters
Advocaten
- N. Stommels
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
