ECLI:NL:CRVB:2021:1899
Centrale Raad van Beroep · 29-07-2021 · zaaknummer 20/1889 AOW
Inhoudsindicatie
Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn niet geschonden, omdat geen sprake is geweest van een gerechtvaardigde verwachting dat appellant vanaf 1 januari 2018 ouderdomspensioen zou ontvangen. De pensioengerechtigde leeftijd van appellant is terecht op grond van artikel 7a van de AOW vastgesteld op 66 jaar en vier maanden. De Svb heeft de periode waarin appellant niet verzekerd is geweest naar beneden afgerond op twintig kalenderjaren. De eventuele vaststelling van een latere vertrekdatum zou daarin geen verandering brengen. Net als de rechtbank, concludeert de Raad daarom dat de hoogte van het ouderdomspensioen terecht is vastgesteld op 60% van het maximale ouderdomspensioen. Appellant heeft voorts gesteld dat de zaak na ommekomst van een behandelingsduur van twaalf maanden automatisch aan hem dient te worden toegewezen. Een toepasselijke rechtsregel van deze strekking heeft appellant niet genoemd en is de Raad ook niet bekend.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
