ECLI:NL:CRVB:2021:185
Centrale Raad van Beroep · 26-01-2021 · zaaknummer 18/6471 WAO
Inhoudsindicatie
Het oordeel van de rechtbank dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant (verdere) rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten uit 2003, 2004 en 2007 wordt onderschreven. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat er voor appellant geen wachttijd van vier weken geldt maar een wachttijd van 104 weken, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar is ingetreden zoals is vereist in artikel 39a van de WAO. Evenals de rechtbank heeft de Raad daarbij in aanmerking genomen dat voldoende aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet voor november 2016 is toegenomen. Inmiddels heeft een herziening van appellants WAO-uitkering per 20 november 2018 plaatsgevonden, dus na een wachttijd van 104 weken. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
