Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2021:1671

Centrale Raad van Beroep · 08-07-2021 · zaaknummer 19/1878 WW

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 09-07-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belastende besluiten. Het is aan het Uwv om feiten aan te dragen die aannemelijk maken dat niet kan worden vastgesteld of appellant per 18 november 2013 recht heeft op een WW-uitkering. Uit het onderzoeksrapport van het Uwv van 12 juli 2017 en de onderliggende stukken blijkt dat appellant in de periode waarin hij een WW-uitkering en toeslag ontving bestuurder en enig aandeelhouder was van [BV 1] . [BV 1] was bestuurder en enig aandeelhouder van [BV 2] . [BV 2] had twee nevenvestigingen, [nevenvestiging 1] en [nevenvestiging 2] . Dit betreft informatie waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed kan zijn voor het recht op WW-uitkering. Dat het Uwv informatie over [BV 1] en [BV 2] kan opvragen bij de Belastingdienst, ontslaat appellant niet van zijn inlichtingenplicht. Appellant had deze informatie over [BV 1] en [BV 2] daarom uit eigen beweging moeten melden aan het Uwv. Appellant heeft dit zowel bij de aanvraag om een WW-uitkering van 6 februari 2014 als bij de aanvraag om herleving van de WW-uitkering van 7 april 2015 niet gemeld. Hierdoor heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden. Deze informatie vormt een indicatie dat appellant betrokken was bij meerdere bedrijven. Op basis van de door appellant verstrekte informatie was het voor het Uwv op geen enkele wijze inzichtelijk met welke werkzaamheden omzet is gegenereerd door [BV 2] en door wie deze werkzaamheden zijn verricht. Doordat appellant niet de gevraagde informatie aan het Uwv heeft verstrekt, is niet duidelijk geworden in hoeverre de activiteiten waarmee omzet is gegenereerd door [BV 2] aan appellant kunnen worden toegerekend. Gelet hierop heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellant in de periode van 18 november 2013 tot 1 januari 2016 recht heeft op een WW-uitkering. Hierdoor is de grondslag voor de toeslag komen te vervallen, zodat het Uwv gehouden is om ook de toeslag in te trekken. Dit betekent dat de WW-uitkering over de periode van 18 november 2013 tot 1 januari 2016 en de toeslag over deze periode onverschuldigd zijn betaald. Het Uwv is gehouden deze onverschuldigd betaalde uitkeringen van appellant terug te vorderen. Tegen de terugvordering heeft appellant aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering moet worden verlaagd met € 1.903,43 omdat hij in het jaar 2013 geen inkomen heeft gehad uit zijn aandelenpakket. Aangezien het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op WW-uitkering niet is vast te stellen over de in geding zijnde periode, kan deze beroepsgrond niet slagen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Advocaten

  • S. Maachi

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.