ECLI:NL:CRVB:2020:765
Centrale Raad van Beroep · 25-03-2020 · zaaknummer 19/1713 WW
Inhoudsindicatie
Er is geen grond om te oordelen dat ten tijde van het ontslagverzoek voortzetting van de dienstbetrekking bij de werkgever van appellant redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Evenmin is gebleken dat het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Appellant was op 10 november 2017 verwijtbaar werkloos. Met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de WW komt de WW-uitkering van appellant per 10 november 2017 niet tot uitbetaling. Het ter zitting van de Raad door het Uwv ingenomen standpunt is dus juist. Vernietiging besluit. Beroep gegrond. In de zaak zal worden voorzien door te bepalen dat het recht op WW-uitkering per 10 november 2017 niet tot uitbetaling komt wegens verwijtbare werkloosheid.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
